Economische wetten?
Als student economie word je bij het begin van je studie overdonderd door een aantal economische wetten die zouden verklaren waarom dingen gaan zoals ze gaan en zouden voorspellen wat er verandert bij bepaalde ingrepen in de economie. Enkele van die economische wetten kennen wij allen.
Ook ik werd hiervan doordrongen. Dr. Arie Pais, hoogleraar staathuishoudkunde aan de Universiteit van Amsterdam, gebruik makend van het boek dat als “Delfgauw” bekend stond, samen met zijn collega’s is erin geslaagd die economische wetten er bij ons in te krijgen.
Eén zo’n wet is dat bij een lage prijs voor een product het aanbod ervan ook laag zal zijn en dat het aanbod stijgt als de prijs een stijgende tendens vertoont. Keurig netjes vastgelegd in de bij iedere economiestudent bekende aanbodcurve.
Zo kennen we natuurlijk ook de volgende: bij een hoge prijs zal de vraag naar een product laag zijn en als de prijs laag is zal er veel vraag zijn. Natuurlijk vastgelegd in de vraagcurve.
Mooi theoretisch is dan de evenwichtsprijs voor het product, de prijs die je kan aflezen bij het punt waar vraagcurve en aanbodscurve elkaar snijden.
Of natuurlijk die zo bekende wetten van Gossen. Zoals de tweede: de wet van nutsmaximalisatie. Volgens deze wet besteedt de consument zijn inkomen zo optimaal dat hij slechts een pakket goederen koopt tot een verhouding waarbij de behoeftebevrediging ervan en de prijs van dit pakket, optimaal is. Wist u niet hè, dat u dat dagelijks doet.
En vanuit de bedrijfseconomie worden ons ook allerlei methoden opgelegd. Zoals het bepalen van de verkoopprijs van een product door de kostprijs ervan te verhogen met een winstmarge. En dan laten we de BTW nog even buiten beschouwing. Bij het berekenen van een kostprijs moet je echter uitgaan van een aantal veronderstellingen om gebruik te kunnen maken van de welbekende kostprijsformule C/N+V/W=kostprijs. Veronderstellingen of aannames over de “normale” productieomvang en over de verwachte afzet van de komende periode. En wie bepaalt nu eigenlijk de hoogte van de winstmarge? Maar is het dan ook weer niet zo dat, conform de al eerder genoemde relatie tussen prijs en vraag, als de prijs relatief hoog is, de afzet daalt? Dus verandert je werkelijke afzet. En wat klopt er dan nog van je kostprijs, komende uit die formule? Zie de cirkelredenering:
- De prijs bepaalt de hoogte van de afzet
- De hoogte van de afzet beïnvloedt de kostprijs
- De hoogte van de kostprijs bepaalt de prijs
- En we beginnen opnieuw bij 1
Waar doorbreken we de cirkelredenering?
